INTERVIEWS

IJSMEESTERS IN DE WERELD DRAAIT DOOR

*

Bas Sleeuwenhoek te gast bij het radioprogramma Lunchroom van Omroep Noord-Holland op 6 januari 2020. (1996 moet zijn 1997, bij de kwestie Sneek)

*

https://www.nporadio1.nl/langs-de-lijn-en-omstreken/onderwerpen/521683-wie-zijn-de-ijsmeesters-die-zich-inzetten-voor-de-elfstedentochtht

Bas Sleeuwenhoek en Luppo Wolthuis bij Langs de Lijn en Omstreken.

*

IJsmeester, mannen achter de schermen van de Elfstedentocht ligt in de winkels. Auteur Bas Sleeuwenhoek sprak met oud-rayonhoofden, hun assistenten, een boezembeheerder, de ijsmeester van de Elfstedenvereniging en een zwartrijder.

Waarom een boek over ijsmeesters?

De afgelopen vijf jaar hebben heel wat rayonhoofden en hun assistenten de Elfstedenvereniging verlaten, vooral vanwege hun leeftijd. Als je 70 jaar bent, moet je namelijk met pensioen. Tussen de mensen die afscheid namen, bevinden zich veel zwaargewichten. Auke Hylkema uit Balk, Catharinus Nagelhout uit Woudsend, Jan van der Woude uit IJlst, Johan Tigchelaar uit Burdaard, noem maar op. Sytse Prins, de ijsmeester van de Elfstedenvereniging, becijfert dat het om een derde gaat van de organisatie. Dat is een brok ervaring. Een mooi moment dus om terug te blikken. Wat hebben deze mannen allemaal gedaan op het ijs, welke problemen kwamen ze tegen, hoe denken ze over de toekomst?

Wat is een ijsmeester eigenlijk, is dat hetzelfde als een rayonhoofd?

Een ijsmeester is in principe iemand die veel verstand heeft van ijsgroei. Het begrip is op het natuurijs pas gaan spelen in 1985 toen een journalist Henk Kroes ‘ijsmeester’ noemde in een artikel. Kroes heette daarvoor ‘routecommissaris’, dat hij een vervelend ambtelijk woord vond. ‘IJsmeester’ klinkt ook veel beter en past bij het werk dat hij deed. Bovendien heeft Kroes er zelf status aan gegeven door in Amerika en Canada kennis op te doen. Toen hij terugkeerde, kon hij journalisten allerlei dingen vertellen over ijs, bijvoorbeeld dat ijs kan buigen, en dat het niet meteen erg is als er water op staat. De pers vond dat interessant en vanaf dat moment wilden veel mensen ook ijsmeester worden, door een cursus te volgen bijvoorbeeld. Momenteel telt Nederland minimaal 450 ijsmeesters.

Dat zijn dan ijsmeesters zonder winter.s

Dat is de ironie. We weten meer van ijs dan ooit, maar we hebben geen strenge winters meer. De ijsmeesters vinden het zelf ook jammer. Voor kinderen is een winter een groot avontuur. Piet Jetze Faber, het rayonhoofd van Vrouwbuurt, vertelde dat hij als kind ’s zomers al met zijn schaatsen bezig was, omdat je er vanuit kon gaan dat er in de winter ijs zou liggen. Als het moment kwam, dan liep je de trap op naar zolder. Daar lagen de schaatsen in het vet, in krantenpapier, bijna als een cadeau dat je mocht uitpakken. Die oer-Hollandse traditie is helemaal verdwenen.

Wat is je het meest opgevallen bij alle interviews?

Dat het organiseren van een Elfstedentocht best moeilijk is. Als rayonhoofd wil je de veiligheid waarborgen van duizenden mensen. Dat is een zware verantwoordelijkheid, waar mensen ook flink van wakker liggen. Tegelijkertijd moet je risico nemen, anders komt zo’n tocht er nooit. En het ene rayonhoofd neemt meer risico dan het ander. In 1985 zei het rayonhoofd van Harlingen dat hij te weinig ijs had, maar dat de Elfstedenrijders dan maar 800 meter moesten klunen. In 1997 had Sneek ook te weinig ijs en durfde rayonhoofd Jan de Jong het niet aan. Die is toen onder zware druk gezet om het toch door te laten gaan. Terecht, want het ijs was op de route verder overal goed. En je kunt niet alleen om Sneek de tocht niet door laten gaan. Dat heeft Kroes goed gezien.

In 1996 ging er van alles mis, blijkt uit jouw boek. De Elfstedentocht werd toen afgeblazen.

De communicatie tussen het bestuur en de rayonhoofden was niet goed. Het bestuur ging er op 4 februari vanuit dat het ijs sterk genoeg was voor een Elfstedentocht. Maar in de vergadering van rayonhoofden werd het verrast door de slechte toestand in de Zuidwesthoek. Dat is natuurlijk vreemd. In de Zuidwesthoek lagen veel wakken en open stukken en op een of andere manier is dat niet overgekomen. De rayonhoofden waren zelf trouwens ook niet altijd even duidelijk over de staat van ‘hun; ijs. Maar goed, de tocht werd afgeblazen, en dat was ook weer een stap te ver, want later in de week ging het flink vriezen en groeide het ijs zo hard dat het op 10 februari voldoende dikte had. Toch durfde het bestuur het niet aan om de rayonhoofden opnieuw bij elkaar te roepen. Ze overwogen het wel, maar ze waren bang voor een tweede ‘nee’, voor de reacties van media en publiek.

Maar wat is dan precies ‘druk van media?

Ja, dat is lastig om aan te geven. Je moet er tegen bestand zijn, je niet te veel laten meeslepen. De dikte van het ijs is bepalend en verder niets. 1996 geeft wel mooi aan hoe moeilijk het is om als Elfstedenbestuur het juiste moment te kiezen. Je moet zo’n vergadering van rayonhoofden niet te snel bijeen roepen. Dat heeft Kroes ook geleerd. In 1997 zijn de rayonhoofden elke dag bij elkaar gekomen. Ze inventariseerden de toestand van het ijs net zolang tot ze ‘ja’ konden zeggen, Sneek uitgezonderd. Dat is ook veel effectiever. Zeg je botweg ‘nee’, dan kun je de hele organisatie niet zomaar opstarten, denk bijvoorbeeld aan alle politie-agenten die je moet ‘afbestellen’. Dat luistert heel nauw.

Bij de volgende Elfstedentocht hebben 30.000 leden startrecht. Dat betekent meer belasting voor het ijs. Zijn de ijsmeesters daar wel gerust op?

Dat is heel verschillend. Piet Venema zegt: als je 10.000 schaatsers over een vaart kunt laten rijden, dan kunnen er ook 30.000 over. Maar het is een feit dat het grote aantal deelnemers hier en daar voor problemen kan zorgen. Wat gaat er bijvoorbeeld gebeuren als het dooit op de dag van de tocht? We weten dat de maximale capaciteit dan 16.000 rijders is. Dat betekent dat je 10.000 mensen teleur moet stellen, misschien niet moet laten starten. Het Elfstedenbestuur weet nog niet hoe ze dat gaat oplossen. Het hangt ook af van de Veiligheidsregio, of je bijvoorbeeld in staat bent om 10.000 schaatsers te evacueren, mocht dat nodig zijn.

Denk je dat de volgende Elfstedentocht veilig zal verlopen?

Dat komt wel goed. Het bestuur is er met hun mensen het hele jaar mee bezig. Men zit erbovenop. In Sneek zijn hele goede kluunvoorzieningen gemaakt. Er zijn draaiboeken, er is techniek. Een punt van zorg zijn wel de social media. Dat zich grote groepen schaatsers vormen die met elkaar het ijs opgaan, op een plek waar je dat niet kunt gebruiken. Maar dat is iets waar je weinig tegen kunt doen, denk ik. Men probeert zwartrijders zo veel mogelijk van het ijs te houden, maar wildrijders – bijvoorbeeld mensen die de tocht een dag van tevoren zelf schaatsen – daar valt niet veel tegen te beginnen.

Geloof je zelf nog in een strenge winter?

Zeker, en met mij de meeste ijsmeesters. Het klimaat verandert weliswaar, maar weersituaties blijven hetzelfde. Je hebt een hogedrukgebied nodig boven Groenland of Scandinavië en dat komt het er wel weer van. Ik denk soms terug aan 1984. Ik bezocht toen met mijn vader een weerprofeet. Het was eind december. Ik vroeg: krijgen we nog een winter? Hij keek me heel mismoedig aan. Het hout in het bos was nat en de mollen zaten hoog in de grond… Nee, het zou helemaal niks worden met die winter. Twee weken laten begon de koudste januari van de eeuw. Ik reed met min 16 graden naar school, waar ik met een licht bevroren neus aankwam. Ik heb dat moment onthouden. De natuur zal ons altijd blijven verrassen, ongeacht de voorspellingen. Misschien zelfs met een winter zoals in 1963.